Touwslagerij St.-Pieters-Lille
Touwslagerij St.-Pieters-Lille - #42

Bouwperiode: Tweede helft 19e eeuw | Afkomstig van: St.-Pieters-Lille | Naar Bokrijk gekomen in: 1962 | locatie in het museum: Kempen

Het gebouw en zijn verleden

De touwslagerij (tweede helft 19de eeuw) is een klein werkhuisje met plankenwanden. De touwen werden gemaakt van hennep die op het land geoogst werd. In het rechtervertrek (hekelkot) werden de hennepvezels zuiver gemaakt. Het eigenlijke touwslaan gebeurde vanuit het draaikot: drie lange hennepdraden werden parallel gespannen op dertien houten kammen die samen een baan van 140 meter vormden; vervolgens werden de draden in elkaar gedraaid tot stevig touw.

Een touw van hennep

Wie vandaag hennep wil kweken, heeft daar een vergunning voor nodig. Er worden namelijk ook drugs van gemaakt. Vroeger was hennep heel gewoon. Veel boeren in de Kempen kweekten het zelf. Touwslagers maakten er voor hen een sterk touw van. Ook om kleding te weven gebruikte men hennep.

Touw maken, hoe doe je dat?

De touwslager begon met het reinigen van de hennep in het hekelkot (het rechtergedeelte van deze touwslagerij). Daarna draaide hij de hennep met een speciale hamer in elkaar. Dit gebeurde vanuit het draaikot (het linkerdeel) met behulp van een rad. Het rad moest voortdurend en gelijkmatig draaien. Dat was meestal het werk van kinderen of vrouwen. De touwslager liep dan achteruit, steeds verder weg van het rad, tot het touw de gewenste lengte had. De kunst was om het touw overal even dik en vast te maken. Voor dikke touwen werden meerdere dunnere touwen in elkaar gedraaid.

Van waar komt de naam touw ‘slaan’?

Wanneer je touw maakt, hangt het touw vast aan een haak. Die haak draait altijd mee en maakt zo telkens een ‘slag’ in het touw. Touw maken of draaien heet daarom touw ‘slaan’. Zo kregen de vakmannen die touw maakten de naam ‘touwslagers’. In de Kempen, waar een touw een ‘zeel’ is, noemden ze hen ‘zeeldraaiers’.