Object in de Kijker - Bedevaartwagen

BEDEVAARTWAGEN

Al eeuwenlang trekken pelgrims naar Jeruzalem, Rome of Santiago de Compostela, maar ook dichter bij huis zijn er “heilige plaatsen” als Kortenbos, Kevelaer of Scherpenheuvel. Vanaf het begin van de 17de eeuw werd Scherpenheuvel stelselmatig uitgebouwd tot een bedevaartsoord, waar bezoekers uit binnen- en buitenland toestroomden, waaronder ook talrijke vorstelijke en kerkelijke gezagsdragers. Het werd door de katholieken beschouwd als hun antwoord op het protestantisme.

Van overal in Vlaanderen werden er voetbedevaarten ondernomen naar Scherpenheuvel. Zo richtte ook de Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel te Boom jaarlijks een voetbedevaart in naar het eeuwenoude Mariaoord, en dit sinds 1810. De weg liep als volgt: Boom – Rumst – Duffel – Koningshooikt – Berlaar – Heist o/d Berg – Aarschot – Scherpenheuvel, een tocht van ongeveer 55 km (enkel). Met de voetbedevaarders reed ook een omnibus mee, aan het begin van de twintigste eeuw..

Lees meer

In oorsprong gaat het om een oude postkoets, uitgerust met een dubbele dissel of raam en voorzien om met 3 trekpaarden getrokken te worden.

Alle teruggevonden geschreven informatie wijst erop dat de koets al rond 1900 dienst deed als omnibus voor de voetbedevaart (de datum 1810 op de koets verwijst naar de oprichtingsdatum van de Broederschap!). In die tijd was de koets eigendom van een huurhouder uit Mechelen, die ze twee dagen per jaar ter beschikking stelde van de Broederschap. De bagage werd bovenin onder de huif geschikt, tussen hooi en stro, het paardenvoedsel voor onderweg. Binnenin de koets konden een twintigtal zieke of vermoeide voetbedevaarders uitrusten, zittend op houten banken of staande. Uitzonderlijk werd door sommige personen betaald om de ganse reis per omnibus te mogen doen.

De huurhouder uit Mechelen verkocht de koets daarna door aan ene August Verelst uit de Kruiskenslei in Boom met de uitdrukkelijke voorwaarde ze ieder jaar ter beschikking van de Broederschap en haar voetbedevaart te stellen. De firma Lauwers en Aertssens zorgde voor trekpaarden, daarna Louis Apers en zijn familie uit Breendonk. Toen August Verelst uiteindelijk zijn vervoerbedrijf moderniseerde met vrachtwagens, verkocht hij, in 1926, de koets door aan de Broederschap voor de ronde som van 900 Bfr.

Vanaf dan werd de koets jaarlijks rijklaar gemaakt door hoefsmid Schoepen in de Antwerpsestraat. Leuk detail: dit blijkt de vader te zijn van de (in 2010 overleden) Bobbejaan Schoepen.

Op den duur werd het voor de Broederschap steeds moeilijker een menner te vinden die met drie trekpaarden het alsmaar drukkere verkeer kon of wilde trotseren. Er zat niets anders op dan de koets thuis te laten en over te stappen op een bus. In 1967 (!) maakte de koets haar laatste reis naar Scherpenheuvel.

Om dit unieke patrimonium te bewaren voor het nageslacht werd besloten de koets te schenken aan het openluchtmuseum van Bokrijk. In de meimaand van 1972 is de koets bij de scheepswerf van Kennes afgehaald door Jozef Weyns, de toenmalige conservator van Bokrijk. Sindsdien is het één van de absolute topstukken van de collectie karren & wagens van het openluchtmuseum.

Gegevens over het voorwerp:

  • Instellingsnaam: Openluchtmuseum Bokrijk
  • Objectnummer: B.1972.00169
  • Objectnaam: bedevaartwagen
  • Beschrijving: zie boven
  • Vervaardiger: onbekend
  • Datering: eind 19de eeuw
  • Afmetingen: hoogte: 225 cm; lengte: 705 cm; breedte: 207 cm
  • Verwerving: geschonken in 1972 door de Broederschap van O.L.V. van Scherpenheuvel te Boom
  • Standplaats: de bedevaartwagen is momenteel niet ontsloten voor publiek