Ontstaansgeschiedenis

Hoewel het Openluchtmuseum anno 2017 niet minder dan 59 lentes telt, reikt de geschiedenis van Bokrijk een stukje verder in de tijd.

In 1252 werd er voor het eerst melding gemaakt van ‘Buscurake’. Het zou echter tot 1938 duren eer de Provincie Limburg eigenaar werd van de site en tot 1953 vooraleer de plannen om een Openluchtmuseum te bouwen officieel werden. Lees hier meer over enkele mijlpalen in de geschiedenis van Bokrijk, het Openluchtmuseum en het park.

Lees meer

Op 9 maart 1252 verkocht Arnold IV graaf van Loon en Chiny een woud, gelegen tussen Genk, Zonhoven en Hasselt, aan de Cisterciënserinnenabdij  van Herckenrode. Dit woud werd ‘Buscurake’ genoemd, een gebied rijk aan beukenbomen. De abdij bouwde er een hoeve die de eerste twee eeuwen werd bewerkt door lekenbroeders van de abdij. Tijdens de tweede helft van de 14e eeuw verhuurde de abdij van Herckenrode haar ‘grangiae’ (hoeve) aan ‘halfwinnen’ (pachters die werkten voor de helft van de opbrengst). In 1447 werd Bokrijk een gewone pachthoeve, de abdij bleef eigenaar tot aan het Franse bewind. Omstreeks 1719 werd dit “met beuken beplant stuk grond langs het water” voor het eerst met ‘Bouchreyck’ aangeduid.

Op 22 april 1797 werd Bokrijk verkocht voor 90.000 frank aan een inwoner van Maastricht. Later kwam het domein in handen van Rittweijer, de directeur van de Société Génerale de Belgique. Tot 1859 woonde zijn schoonzoon, graaf van Coghen, op het domein, die toenmalig minister van financiën was.

Op 21 maart 1938 verkocht de S.V. Middenkredietkas van de Boerenbond  Bokrijk aan de provincie Limburg. De grote promotor voor deze aankoop was de toenmalige gouverneur H. Verwilghen. Hij koesterde al enkele jaren de idee een cultuur- en natuurproject met elkaar te verbinden. Op 6 oktober 1953 besloot de Bestendige Deputatie van de Provincie Limburg, onder dynamische impuls van gouverneur Louis Roppe, in Bokrijk een Openluchtmuseum op te richten. Een belangrijke en historische beslissing: met de naoorlogse industriële revolutie en de toenemende welvaart in de ‘fifties’ dreigde immers het woonlandschap in Vlaanderen op korte tijd verloren te gaan. De eerste conservator werd dr. Jozef Weyns (1913-1974), die een wetenschappelijke aanpak hanteerde bij de uitbouw van het museum. In 1958  opende het Openluchtmuseum de deuren voor de eerste bezoekers.

Volgens sommige bronnen gebeurde dat niet toevallig in hetzelfde jaar als de Wereldtentoonstelling die in Brussel plaatsvond.