Museumwerking

De collectie

Meer informatie over de huizen

Openluchtmusea hebben een bijzondere wijze om hun collectie te presenteren: het gereconstrueerde gebouw, het interieur en de omgeving bouwen samen het beeld van de leefomgeving van toen. Zo krijg je tijdens je bezoek de indruk even terug in het verleden te stappen en een momentopname van het leven van toen mee te maken. Bokrijk telt vandaag 114 historische gebouwen en monumenten.

Overzicht huizen

Meer informatie over de voorwerpen

Het museum telt een roerende collectie van ruim 40.000 voorwerpen, gerelateerd aan de cultuur van het dagelijks leven uit/in heel Vlaanderen. Het merendeel van deze objecten bevindt zich in het nieuwe depot. De overige objecten bevinden zich in de historische gebouwen in het museum. Zoveel mogelijk worden ook de verhalen, gebruiken, technieken, wetenswaardigheden, … gerelateerd aan de voorwerpen mee verzameld. Het museum verzamelt (en onderzoekt en ontsluit) kortom ook immaterieel cultureel erfgoed.

De Bokrijk collectie

De collectie van het Openluchtmuseum Bokrijk beslaat hoofdzakelijk objecten die het dagelijks leven, voornamelijk binnen een landelijke context, van de 17de tot de vroege 20ste eeuw illustreren. Omwille van de diversiteit en veelomvattendheid is het binnen Vlaanderen een unieke collectie, vooral wat betreft de deelcollecties landbouw & voeding, wooncultuur en ambachten. Geografisch zijn de objecten afkomstig uit de vijf Vlaamse provincies. 
Inhoudelijk werd de collectie opgedeeld in een aantal deelcollecties, die hier kort omschreven worden. 
Wooncultuur vormt met bijna 15.000 objecten in aantal de belangrijkste deelcollectie. Dit facet van het dagelijks leven werd door de eerste conservator, Jozef Weyns (1913-1974), uitgebreid bestudeerd in zijn vierdelige standaardwerk “Volkshuisraad in Vlaanderen”. Het betreft meubilair (kasten, tafels, stoelen, bedden,…), tafel- en keukengerei (kruiken uit aardewerk, bestek, serviesgoed,…), huishoudelijke gebruiksvoorwerpen (haardgerief, strijkijzers,…), objecten omtrent sanitair en hygiëne (bedpannen, baden, medische instrumenten,…), volkskunst en woondecoratie (tekeningen, ingekaderde volksprenten,…), objecten die te maken hebben met onderwijs en ontwikkeling (boekentassen, lei en griffels, wandplaten,…) en spel en ontspanning (speelgoed, volksspelen,…), godsdienst en volksdevotionalia (kruisbeelden, heiligenbeelden, religieuze prenten,…) en tot slot allerlei persoonlijke voorwerpen (rookgerei, brillen, wandelstokken,…). De deelcollectie landbouw en voeding vormt binnen Vlaanderen zonder twijfel een referentiecollectie. Het gaat hier concreet om werktuigen voor landbewerking en oogstverwerking (schoppen, harken, zeisen, ploegen, eggen, rollen, maai- en dorsmachines, wanmolens,…), zuivelverwerking (karntonnen, ontromers, …), veeteelt enzomeer. Binnen de deelcollectie kleding en textiel gaat het specifiek om authentieke, historische collectiestukken, niet om de kledij die bijvoorbeeld door acteurs gedragen wordt in het kader van de living history, waar het gaat om replica’s, gebaseerd op historische voorbeelden. De zeer kwetsbare en fragiele collectie omvat zowel het textiel (bv. kapmantels, broeken, vesten, rokken, hoeden,…) als productiemechanismes (bv. weefgetouwen, spinnenwielen, naaimachines,…).

De deelcollectie ambachten bevat handgereedschappen en werktuigen met betrekking tot beroepen zoals de schoenmaker, smid, bakker, wagenmaker, kuiper, mandenmaker, bierbrouwer, stroopstoker,… Een aantal van deze beroepen worden gedemonstreerd in het Openluchtmuseum.
De deelcollectie transport en vervoer bevat karren en wagens, en verder o.m. kruiwagens en fietsen.
Tot slot is er een bescheiden collectie omtrent handel en diensten, waartoe activiteiten als de apotheek, de kapper of de herbergier gerekend worden.
De collectie-Bokrijk werd grotendeels verworven via schenkingen. Waar mogelijk tekenen we de contextinformatie zoveel mogelijk mee op, bv. door de eigenaars en/of gebruikers van de geschonken objecten te interviewen. Voorwerpen zonder enige contextinformatie worden op dit moment in principe niet aangenomen, tenzij het om uitzonderlijke stukken gaat.

Voorwerp van de maand

Bedevaartwagen

Bedevaartwagen

Al eeuwenlang trekken pelgrims naar Jeruzalem, Rome of Santiago de Compostela, maar ook dichter bij huis zijn er “heilige plaatsen” als Kortenbos, Kevelaer of Scherpenheuvel. Vanaf het begin van de 17de eeuw werd Scherpenheuvel stelselmatig uitgebouwd tot een bedevaartsoord, waar bezoekers uit binnen- en buitenland toestroomden, waaronder ook talrijke vorstelijke en kerkelijke gezagsdragers. Het werd door de katholieken beschouwd als hun antwoord op het protestantisme.

Van overal in Vlaanderen werden er voetbedevaarten ondernomen naar Scherpenheuvel. Zo richtte ook de Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel te Boom jaarlijks een voetbedevaart in naar het eeuwenoude Mariaoord, en dit sinds 1810. De weg liep als volgt: Boom – Rumst – Duffel – Koningshooikt – Berlaar – Heist o/d Berg – Aarschot – Scherpenheuvel, een tocht van ongeveer 55 km (enkel). Met de voetbedevaarders reed ook een omnibus mee, aan het begin van de twintigste eeuw

In oorsprong gaat het om een oude postkoets, uitgerust met een dubbele dissel of raam en voorzien om met 3 trekpaarden getrokken te worden.

Alle teruggevonden geschreven informatie wijst erop dat de koets al rond 1900 dienst deed als omnibus voor de voetbedevaart (de datum 1810 op de koets verwijst naar de oprichtingsdatum van de Broederschap!). In die tijd was de koets eigendom van een huurhouder uit Mechelen, die ze twee dagen per jaar ter beschikking stelde van de Broederschap. De bagage werd bovenin onder de huif geschikt, tussen hooi en stro, het paardenvoedsel voor onderweg. Binnenin de koets konden een twintigtal zieke of vermoeide voetbedevaarders uitrusten, zittend op houten banken of staande. Uitzonderlijk werd door sommige personen betaald om de ganse reis per omnibus te mogen doen.

De huurhouder uit Mechelen verkocht de koets daarna door aan ene August Verelst uit de Kruiskenslei in Boom met de uitdrukkelijke voorwaarde ze ieder jaar ter beschikking van de Broederschap en haar voetbedevaart te stellen. De firma Lauwers en Aertssens zorgde voor trekpaarden, daarna Louis Apers en zijn familie uit Breendonk. Toen August Verelst uiteindelijk zijn vervoerbedrijf moderniseerde met vrachtwagens, verkocht hij, in 1926, de koets door aan de Broederschap voor de ronde som van 900 Bfr.

Vanaf dan werd de koets jaarlijks rijklaar gemaakt door hoefsmid Schoepen in de Antwerpsestraat.  Leuk detail: dit blijkt de vader te zijn van de (in 2010 overleden) Bobbejaan Schoepen.

Op den duur werd het voor de Broederschap steeds moeilijker een menner te vinden die met drie trekpaarden het alsmaar drukkere verkeer kon of wilde trotseren. Er zat niets anders op dan de koets thuis te laten en over te stappen op een bus. In 1967 (!) maakte de koets haar laatste reis naar Scherpenheuvel.

Om dit unieke patrimonium te bewaren voor het nageslacht werd besloten de koets te schenken aan het openluchtmuseum van Bokrijk. In de meimaand van 1972 is de koets bij de scheepswerf van Kennes afgehaald door Jozef Weyns, de toenmalige conservator van Bokrijk. Sindsdien is het één van de absolute topstukken van de collectie karren & wagens van het openluchtmuseum. Momenteel is ze te bewonderen in de schuur van Zuienkerke, samen met een tiental andere mooie rijtuigen.

Gegevens over het voorwerp: 

  • Instellingsnaam: Openluchtmuseum Bokrijk
  • Objectnummer: B.1972.00169
  • Objectnaam: bedevaartwagen
  • Beschrijving: zie boven
  • Vervaardiger: onbekend 
  • Datering: eind 19de eeuw
  • Afmetingen: hoogte: 225 cm; lengte: 705 cm; breedte: 207 cm
  • Verwerving: geschonken in 1972 door de Broederschap van O.L.V. van Scherpenheuvel te Boom
  • Standplaats: Schuur Zuienkerke (Openluchtmuseum)

Schenk een voorwerp

Wil je een voorwerp doneren aan Bokrijk?

Bladeren…
Een foto is verplicht