Het bakhuis

Het bakhuis en de bakoven maakten eeuwenlang deel uit van de zelfvoorzienende agrarische cultuur: het boerengezin bakte – met eigen gewonnen graan – eigen brood en bij feestelijke gelegenheden vlaaien, speciale broden en andere gebaksoorten. Dat deed men niet binnen in huis, maar buiten op het erf.  

Mannen en vrouwen

Van oudsher waren het vrouwen die zorg droegen voor het bewaken van het vuur (in de haard en de oven) en het bereiden van het basisvoedsel, waaronder brood. Bij het thuisbakken van brood in de Kempen was gewoonlijk de vrouw verantwoordelijk voor het mengen en kneden (fysiek zwaar werk dat uithoudingsvermogen vergt). Mannen (echtgenoot of oudere zonen) werden ingeschakeld voor het stoken van de oven en het ‘inschieten’ van het brood in de oven. Soms kneedde de man, maar vorm geven aan het brood bleef vrouwenwerk. Ook de kinderen hielpen mee. De meeste gezinnen hadden een wekelijkse, vaste bakdag, vaak op vrijdag, maar dit was niet overal in de Kempen het geval.

Expertise

Brood maken vergt precisie (hoeveelheden inschatten), kennis (temperatuur inschatten) en timing (kneed-, rijs- en baktijden). Voor het maken van allerlei specialiteiten moest men bovendien een veelvoud van baktechnieken onder de knie hebben. Voor het maken van brood was dus expertise nodig. Voor het thuisbakken was dit een zaak van doorgegeven kennis, van vader en moeder op zoon en dochter, van weetjes en tips die in de familie verspreid werden, met de buren werden uitgewisseld etc. Wellicht was het ook een kwestie van experimenteren. Brood bakken was iets dat je langzaam in de vingers moest krijgen en waarbij gewoontes, kennis en kunde niet alleen van generatie op generatie werd doorgegeven, maar waarvoor je ook, al doende, ervaring moest opbouwen om het goed te krijgen. 

Brandgevaar

Het gebruik om de oven in een aparte constructie onder te brengen, met een pannendak, weg van het woonhuis, de stallen en de schuur, heeft te maken met brandgevaar. Een vlierbes in de buurt en donderbaard op het dak beschermden volgens het volksgeloof eveneens tegen brand. Vlier hield ook muggen op afstand.

Bakovens met een dak van riet of dorre brem waren wel eens de oorzaak van brand. Dit leidde tot allerlei ordonnanties. In Munsterbilzen bijvoorbeeld hadden in 1768 twee derde van de bakhuizen nog een strodak. Een verordening gebood deze te vervangen door pannen. Toch zijn er ook boerderijen waar de oven zich binnen bevond, zoals in het woonhuis uit Vorselaar in Bokrijk. Dan mondde ze gewoonlijk uit in de open haard. Soms leunde het bakhuis aan tegen een gevel van het woonhuis.

Streekgebonden

Bakhuizen waren vooral een fenomeen van de Kempen, het Maasland en Haspengouw. In Kaulille had 86% van de woningen in 1604 een eigen bakoven. In het noordwesten van de Kempen kwam het fenomeen minder voor. Volgens een telling van 1941 hadden van de 6609 boerderijen uit Noord-Brabant (die van voor 1900 dateerden) 937 een eigen bakhuis en 3228 boerderijen een oven in of tegen het woonhuis.

Hoe het bakhuis eruitzag, verschilde van streek tot streek. Het soort bakoven en/of bakhuis dat je had, zei wellicht iets over je sociale status. ‘Open’ ovens, waarbij de oven zich niet in een gebouwtje bevond, waren een uitzondering. In Bokrijk zie je hiervan een voorbeeld, afkomstig uit Zonhoven, op het erf van het woonhuis uit Helchteren. Soms stond een dergelijke oven onder een klein afdak. De voordelen van de open oven zijn dat de oven sneller afkoelt en dat het ovengewelf daardoor minder snel barst. De bereiding vond dan plaats in het woonhuis.

In de meeste gevallen was er wel een afzonderlijk gebouwtje, het bakhuis. De oven bevond zich dan ofwel binnen in het gebouw of vormde een aparte bouweenheid, tegen het gebouwtje aan. Bevond de oven zich volledig binnen in het gebouwtje, dan was er slechts één dak. Dit was het geval bij het bakhuis van de Uitschoolhoeve uit Oevel (dit bakhuis werd afgebroken in 1937) en het bakhuis van het Hooghuis uit Tessenderlo. Ook buiten de Kempen kwam dit fenomeen voor. Meestal echter werd voor de eigenlijke oven een ruimte aangebouwd. De oven lag dan tegen het bakhuis en had een eigen, lager dak (zoals bij de bakovens van Meeuwen en Heist-Goor in Bokrijk). Een zeldzame keer lag de oven tegen een langse gevel (in Bokrijk bij het bakhuis van de Contzenwinning uit Klein-Hoeselt). Dat was dan gewoonlijk te wijten aan de schikking van het erf. 

Inrichting

In het bakhuis werden de bakbenodigdheden opgeborgen en werd het deeg bereid. (In de koude winter gebeurde de bereiding – het mengen, kneden en rijzen – ook wel in het woonhuis). Er stond gewoonlijk een baktrog en een tafel of een rek om het brood te laten rijzen en nadien te laten afkoelen. Ook alles om de oven aan te steken werd hier bewaard. Er was een toegangsdeur en één of meerdere venstertjes. Een van de vensters bevond zich best recht tegenover de ovenopening, zodat men voldoende lichtinval had om in de oven te kunnen kijken. Vaak was er géén vensterglas voorzien, enkel houten luiken. Soms werd het gebouwtje architectonisch versierd en werden de muurankers gedateerd. De omvang en afmetingen van het gebouwtje waren erg variabel. Meestal was er geen zolder. De vloer bestond uit de onbedekte grond, aangestampte leem of plaveien. De binnenmuren werden witgekalkt.

De inplanting van het bakhuis op het erf en de plaats waar de toegangsdeur van het bakhuis kwam, werden gewoonlijk zo gekozen dat het bakhuis vanuit de woning goed bereikbaar was. In bepaalde streken was de oven echter aan de straatzijde van het erf gelegen. (Sint-Maartens-Latem, Asse, Alken). Mogelijk was het dan een gemeenschappelijk bakhuis dat ook door anderen gebruikt werd. Zo deelden soms meerdere boerderijen van een gehucht samen één bakhuis (Westerlo), of maakten een of meerdere arme buren gebruik van het bakhuis van een rijkere boer. Ze betaalden hiervoor dan bijvoorbeeld in werkdagen, of in brandstof. Gemeentelijke bakhuizen, gemeenschappelijk voor een heel dorp, werden in Vlaanderen niet teruggevonden, in Duitsland wel.

De oven

De ovenkap of het ovengewelf was van leem of steen. De lemen versies werden in de negentiende eeuw vaak door een stenen exemplaar vervangen, al dan niet met een leemlaag erover. De ovenvloer bestond uit vuurvaste tegels, de onderbouw van de oven gewoonlijk uit steen. De oven zelf had een grote opening: de ovenmond, in de Kempen ook ovenbakkes of ovenmuil genoemd. In de opening daarachter, de stookplaats, werd zowel de brandstof gestookt, als het brood gebakken. Met een deksel of deurtje uit hout en/of ijzer – ovenscheel, ovendek(sel), stopsel of ovenplaat – kon men de oven dichten. Onder de oven was vaak een opslagruimte waar de brandstof, gewoonlijk takkenbossen, kon opgeslagen worden. De rook verliet de oven via de ovenmond en trok weg onder de mantel van de haard die rond de oven werd gebouwd.

Het bakhuis verdwijnt

Na de Tweede Wereldoorlog werd brood steeds vaker gekocht in de bakkerij of door de bakker aan huis gebracht. De veralgemening van elektriciteit deed het proces van het bakken in een gestookte oven verdwijnen. Wie toch nog thuis bakte, deed dat steeds vaker in een ’moderne’ gas- of elektrische oven. De bakhuizen raakten in onbruik. Sommige kregen een nieuwe functie als bergplaats, washok, werkhuis, stal of kippenhok en werden zo van de sloop gered. De meeste vervielen echter en werden vroeg of laat afgebroken. Volgens het Museum voor de Oudere Technieken (MOT) zijn er begin 2017 nog bijna dan 3800 bakhuizen in België. 

Meer lezen?

Over de manier waarop er in een Kempens bakhuis brood gebakken werd en welke voorwerpen en gebruiken daarbij een rol speelden, verneem je meer in het onderzoeksrapport (dat je hier kan downloaden), maar ook in de Expo brood en via de Erfgoedapp van FARO.